Belastingen & btwRegelgeving
De minimale bezoldiging van de bedrijfsleider bedraagt 51.000 euro voor aanslagjaar 2027 — niet 50.000
De wet van 15 juli 2026 verving het vaste minimum van 45.000 euro in art. 215 WIB 92 door een basisbedrag van 25.000 euro dat jaarlijks geïndexeerd wordt. Voor aanslagjaar 2027 legt het indexeringsbericht van 12 augustus 2026 het toepasselijke bedrag vast op 51.000 euro. De meeste adviesnota's vermelden nog 50.000, omdat ze met de coëfficiënt van vorig jaar rekenden. En de deadline is uw eigen afsluitdatum, niet 31 december.
Door Artem Kuznetsov, oprichter
- Gepubliceerd
- Geverifieerd
Lees als
Wat nu telt
- Nu van kracht
- Aanslagjaar 2027 — van kracht sinds de bekendmaking op 29 juli 2026
- Het bedrag
- 51.000 euro (basisbedrag 25.000 x coëfficiënt 2,0592, afgerond op 1.000)
- Volgende wijziging
- Aanslagjaar 2028 — een nieuwe coëfficiënt geeft een nieuw bedrag
- Actie vandaag
- Herbereken de bezoldiging van één bedrijfsleider tegen uw eigen afsluitdatum
Bronnen
- 01Wet van 15 juli 2026 tot hervorming van de personenbelasting — BS 29.07.2026, numac 2026005724
- 02FOD Financiën — Bericht automatische indexering, aanslagjaar 2027, BS 12.08.2026, numac 2026006085
- 03Art. 215 WIB 92 — verlaagd tarief vennootschapsbelasting
- 04Raad van State — advies bij het wetsontwerp
Betaalt uw vennootschap het verlaagd tarief, dan moet één van uw bedrijfsleiders dit boekjaar minstens 51.000 euro opnemen. Geen 50.000 — dat cijfer circuleert en het klopt niet.
De regel zelf is oud. Om het verlaagd tarief op de eerste schijf van haar winst te betalen, moet een kleine Belgische vennootschap minstens één van haar bedrijfsleiders een minimale bezoldiging toekennen. Wat deze zomer veranderde, is hoe dat minimum wordt vastgesteld.
Wat er veranderde
Het oude minimum was een vast bedrag van 45.000 euro in de wet. Het stond daar, onbeweeglijk, terwijl alles eromheen geïndexeerd werd.
De hervorming die op 29 juli 2026 werd bekendgemaakt, verving het door een basisbedrag van 25.000 euro dat elk jaar geïndexeerd en op het dichtstbijzijnde duizendtal afgerond wordt. Voor aanslagjaar 2027 geeft die berekening 51.000 euro. Volgend jaar geeft ze een ander cijfer, en het jaar daarna nog een. Er is geen drempel meer om te onthouden — alleen een mechanisme om jaarlijks na te kijken.
Waarom het cijfer dat u hoorde niet klopt
De memorie van toelichting bij het wetsontwerp maakte de vermenigvuldiging met de index van het vorige jaar en kwam uit op een bedrag dat afrondt op 50.000 euro. Dat getal ging de vakpers in en bleef plakken.
Het officiële indexeringsbericht van 12 augustus 2026 legt het vast op 51.000 euro. Zei uw boekhouder, uw nieuwsbrief of uw ondernemersclub 50.000, dan lazen ze de juiste wet naast de verkeerde tabel.
Het verschil is duizend euro. Wat erachter zit, is geen duizend euro. Haalt u de drempel niet, dan betaalt de vennootschap geen boete van duizend euro — ze verliest het verlaagd tarief op haar resultaat en betaalt het gewone tarief. Het is de goedkoopste duizend euro die men u ooit zal vragen te vinden, en de duurste om tekort te komen.
Uw deadline is uw afsluitdatum, niet 31 december
Elk artikel hierover zegt "u hebt tijd tot 31 december 2026". Dat klopt alleen als uw boekjaar het kalenderjaar is.
Aanslagjaar 2027 omvat het boekjaar dat op 31 december 2026 afsluit én elk boekjaar dat op een andere datum in 2027 afsluit. Loopt uw jaar tot 30 juni, dan wordt u getoetst over 1 juli 2026 tot 30 juni 2027 en is uw deadline 30 juni 2027. U hebt meer tijd — maar ook een tijdperk dat al sinds 1 juli 2026 loopt, dus de bezoldiging die u sindsdien hebt opgenomen telt al mee.
Kijk eerst na in welk geval u zit, vóór u besluit dat er geen haast bij is.
Wat de oplossing kost
Stel dat u 6.000 euro tekortkomt. De bezoldiging met 6.000 euro verhogen is geen beslissing van 6.000 euro:
- Ze sleept ongeveer 20,50 % aan sociale bijdragen mee, plus de beheerskosten van uw sociaal verzekeringsfonds.
- De extra bezoldiging is bij u belastbaar in de personenbelasting, aan uw marginaal tarief.
- De bijdrage wordt afgerekend via een regularisatie die pas in 2028 aankomt. Het geld gaat in het ene jaar buiten, de afrekening ervoor komt twee jaar later.
Dat betekent niet dat u het niet moet doen. Het betekent dat u het afweegt tegen wat het verlies van het verlaagd tarief op het resultaat van dit jaar werkelijk kost, en dat u die vergelijking schriftelijk krijgt vóór u iets tekent. Bij een dunne winst kan het kopen van het verlaagd tarief meer kosten dan het tarief opbrengt.
De terugvalregel die bijna niemand vermeldt
In de regel zit een tegemoetkoming. Ligt de toegekende bezoldiging onder de drempel, dan blijft het verlaagd tarief toch van toepassing zolang het belastbaar inkomen van de vennootschap die toegekende bezoldiging niet overschrijdt.
Vertaald: een jaar met weinig winst kan in orde zijn zonder enige opleg. Vraag om dit te toetsen vóór u een loonsverhoging goedkeurt, niet erna. Het is de vraag die u de hele oefening kan besparen.
De andere val, en die gaat niet over het bedrag
Er zit een tweede 20 in deze hervorming, en die heeft niets met het belastingtarief te maken.
Een groot deel van wat veel bedrijfsleiders ontvangen, is geen geld. Het zijn voordelen die tegen een forfaitair bedrag worden gewaardeerd — het klassieke pakket van bedrijfswagen, gratis woonst en gratis verwarming. De hervorming voegde een aparte regel toe: wanneer die forfaitair gewaardeerde voordelen een te groot aandeel uitmaken van alles wat aan alle bedrijfsleiders samen wordt toegekend, kan de vennootschap het verlaagd tarief op die grond alleen al verliezen, ook als de 51.000 euro volledig gehaald is.
Drie dingen om te onthouden:
- Het is een verhouding, geen plafond op de 51.000 euro. De veelgehoorde zin dat "slechts 10.000 van de 51.000 uit voordelen mag bestaan" staat niet in de wet.
- Ze wordt gemeten tegenover alles wat aan al uw bedrijfsleiders in het tijdperk wordt toegekend, niet per persoon en niet tegenover het minimum.
- Voordelen die tegen hun werkelijke kostprijs worden gewaardeerd in plaats van tegen een forfait, tellen niet mee.
Zit uw pakket zwaar in de voordelen en licht in het geld, dan is dit het stuk van de hervorming dat op u mikt. Een opleg in geld verbetert de verhouding. Een opleg in voordelen verslechtert ze.
Als uw vennootschap jong is
Er geldt geen minimumbezoldiging voor de eerste vier belastbare tijdperken na de oprichting — de voorwaarde begint te spelen vanaf het vijfde. Erkende coöperatieve vennootschappen zijn helemaal uitgesloten van de voorwaarde.
Weet in welk tijdperk u zit. Het vijfde komt er zonder aankondiging aan, en een vennootschap die nooit over deze regel heeft hoeven nadenken is precies de vennootschap die er niet aan denkt in het jaar dat het begint te tellen.
Wat u deze week vraagt
- In welk aanslagjaar valt mijn huidige boekjaar, en wat is mijn werkelijke deadline?
- Wat werd mij tot nu toe in dat tijdperk toegekend, geld en voordelen samen?
- Hoe groot is het tekort tegenover 51.000 euro, als er een is?
- Speelt de terugvalregel — blijft het belastbaar inkomen onder wat ik al heb opgenomen?
- Welk aandeel van het totaal aan onze bedrijfsleiders bestaat uit forfaitair gewaardeerde voordelen?
Vijf vragen. De antwoorden passen op één blad, en dat blad is de hele beslissing.
Eén ding dat nog kan bewegen
De Raad van State maakte een gelijkheidsbezwaar tegen het toepassen van de sanctie op de voordelen enkel bij kleine vennootschappen, en dat bezwaar werd in de aangenomen tekst niet opgelost. Een correctie of een administratieve circulaire is mogelijk.
Dat verandert niets aan wat u nu doet: de regel geldt vanaf aanslagjaar 2027 en het bedrag is 51.000 euro. Het is wel een reden om u niet vast te leggen op een meerjarige bezoldigingsstructuur die volledig rond de verhouding van de voordelen gebouwd is, en om de positie volgend jaar opnieuw te lezen in plaats van aan te nemen dat ze standhield.
Het toepasselijke bedrag voor aanslagjaar 2027 is 51.000 euro. Bijna elke adviesnota in omloop zegt 50.000, en het verschil is één indexeringscoëfficiënt uit het verkeerde jaar.
Wat de wet verving
De wet van 15 juli 2026 tot hervorming van de personenbelasting — Belgisch Staatsblad van 29 juli 2026, eerste editie, numac 2026005724, p. 40196 — herschreef de voorwaarde van de minimale bezoldiging in art. 215, derde lid, 4° WIB 92.
- Voordien: een vast bedrag van 45.000 euro, letterlijk in de tekst en niet gekoppeld aan de index.
- Nadien: een basisbedrag van 25.000 euro, dat zelf nooit het toepasselijke cijfer is. Het wordt jaarlijks geïndexeerd op grond van art. 178, §3, eerste lid, 2° WIB 92 en afgerond op het dichtstbijzijnde duizendtal.
Art. 88 van de wet regelt de timing: de titel treedt in werking op de dag van de bekendmaking en is van toepassing vanaf aanslagjaar 2027. Op 23 augustus 2026 is er geen uitstel, geen wijzigingswet en geen reparatiewet.
Waar 51.000 vandaan komt — en waar 50.000 vandaan kwam
De memorie van toelichting maakte de berekening met de coëfficiënt van aanslagjaar 2026, 2,0096. Vijfentwintigduizend maal die coëfficiënt rondt af op 50.000 euro, en dat getal circuleerde al in de vakpers voordat het indexeringsbericht bestond.
Het bericht beslecht de zaak. Bericht in verband met de automatische indexering inzake inkomstenbelastingen — Aanslagjaar 2027, FOD Financiën, Belgisch Staatsblad van 12 augustus 2026, numac 2026006085. Tabel III.B leest: Art. 215, 3de lid, 4° — Minimale bezoldiging toe te kennen ten laste van het resultaat van het belastbaar tijdperk — basisbedrag 25.000 — geïndexeerd bedrag Aj. 2027: 51.000.
De coëfficiënt voor aanslagjaar 2027 is 2,0592. Afgerond op het dichtstbijzijnde duizendtal: 51.000 euro.
Twee gevolgen voor hoe u secundaire bronnen op dit punt gebruikt:
- Eensgezindheid is hier geen bevestiging. Bronnen die op 50.000 uitkomen, dateren van vóór het bericht van 12 augustus of negeren het. Ze zijn het met elkaar eens, niet met de tabel. Een cliënt die het Staatsblad zelf opzoekt, vindt het verschil in een minuut — en het verschil loopt in de richting die hem het verlaagd tarief kost.
- 51.000 euro is het bedrag van aanslagjaar 2027, meer niet. Aanslagjaar 2028 krijgt een eigen coëfficiënt en een eigen afgerond bedrag. Zet 51.000 niet in een opdrachtbrief, een vast bezoldigingsbeleid of een sjabloon alsof het de nieuwe permanente drempel is. Schrijf het mechanisme op — basisbedrag, indexering, afronding — en lees het bericht elk jaar opnieuw.
Welk boekjaar u eigenlijk toetst
Aanslagjaar 2027 betekent niet voor iedereen 31 december 2026. Het omvat het boekjaar dat afsluit op 31 december 2026 en elk boekjaar dat op een andere datum in 2027 afsluit.
| Getoetst boekjaar | Aanslagjaar | Bezoldiging toe te kennen tegen |
|---|---|---|
| 1 jan 2026 – 31 dec 2026 | 2027 | 31 december 2026 |
| 1 apr 2026 – 31 mrt 2027 | 2027 | 31 maart 2027 |
| 1 jul 2026 – 30 jun 2027 | 2027 | 30 juni 2027 |
| 1 okt 2026 – 30 sep 2027 | 2027 | 30 september 2027 |
Een algemene boodschap in de trant van "u hebt nog vier maanden" klopt alleen voor cliënten met een kalenderboekjaar. Een vennootschap die op 30 juni 2027 afsluit, wordt getoetst over 1 juli 2026 tot 30 juni 2027 en heeft nog ruim de tijd — maar haar tijdperk is ook al begonnen, dus de bezoldiging die sinds 1 juli 2026 werd toegekend telt mee en de berekening start op die datum, niet in januari.
Het bovenmatig deel is een tweede, zelfstandige toets
Hier lopen de circulerende samenvattingen mis, en dat weegt zwaarder door dan die duizend euro.
Het nieuwe art. 2, §1, 25° WIB 92 definieert het bovenmatig deel van de bezoldiging. Het gaat om forfaitair gewaardeerde voordelen — gewaardeerd op grond van art. 36, §1, tweede lid of art. 36, §2 WIB 92, of van art. 43, §3 tot §8 van de wet van 26 maart 1999 — die 20 % overschrijden van de totale bezoldiging die tijdens het belastbaar tijdperk aan alle bedrijfsleiders wordt toegekend.
Leg die definitie naast wat er doorgaans over geschreven wordt:
- Het is geen plafond van 20 % op de 51.000 euro. De vuistregel "hoogstens 10.000 van de 51.000 mag VAA zijn" is een vereenvoudiging die de wettekst niet draagt.
- De noemer is de totale bezoldiging van alle bedrijfsleiders in het tijdperk, niet het minimum, en niet het pakket van één bedrijfsleider apart. Een vennootschap met meerdere bedrijfsleiders berekent één verhouding over het geheel.
- Voordelen die op hun werkelijke waarde worden gewaardeerd, tellen niet mee in de teller. Alleen de forfaitair gewaardeerde.
- Het toekennen van een bovenmatig deel is een afzonderlijke en zelfstandige uitsluitingsgrond van het verlaagd tarief, hersteld in art. 215, derde lid, 5° WIB 92. Een vennootschap kan de 51.000 euro volledig halen en het tarief toch op deze grond verliezen.
Twee cijfers in deze hervorming zijn allebei 20, en ze hebben niets met elkaar te maken:
| Het getal 20 | Wat het is | Gemeten tegenover |
|---|---|---|
| Verlaagd tarief | 20 % vennootschapsbelasting op de eerste schijf van het belastbaar resultaat van een kleine vennootschap | Het belastbaar resultaat van de vennootschap |
| Bovenmatig deel | Het aandeel waarboven forfaitair gewaardeerde voordelen een uitsluitingsgrond worden | De totale bezoldiging toegekend aan alle bedrijfsleiders in het tijdperk |
Wees ook precies over de sanctie: het gevolg voor de vennootschap is het verlies van het verlaagd tarief. Er is geen afzonderlijke aanslag van 7,5 % voor bedrijfsleiders. Die afzonderlijke aanslag bestaat in het nieuwe art. 219septies WIB 92 voor werknemers, en een parallelle bepaling geldt voor organen in de rechtspersonenbelasting. Ze binnenhalen in een bedrijfsleidersdossier is een eenvoudige fout, en een dure om terug te draaien nadat de cliënt zijn pakket al op uw advies heeft herschikt.
De uitzonderingen die de herschrijving overleefden
- Jonge vennootschappen. Er geldt geen minimumbezoldiging voor de eerste vier belastbare tijdperken na de oprichting. De voorwaarde begint te spelen vanaf het vijfde. Haal de oprichtingsdatum uit het dossier, niet uit uw geheugen — het vijfde tijdperk komt er stil aan.
- Erkende coöperatieve vennootschappen. Erkende coöperatieve vennootschappen in de zin van art. 8:4 WVV blijven uitgesloten van de voorwaarde.
- De terugvalregel op het resultaat. Ligt de toegekende bezoldiging onder de drempel, dan blijft het verlaagd tarief toch van toepassing zolang het belastbaar inkomen van de vennootschap die bezoldiging niet overschrijdt. In een mager jaar is dat vaak de goedkoopste route, en het is de toets die u uitvoert vóór u een opleg aanbeveelt, niet erna.
De werkopdracht voor het klantendossier
- Segmenteer op afsluitdatum, niet op kalender. Haal elke vennootschap op waarvan het boekjaar in aanslagjaar 2027 valt en sorteer op afsluitdatum. Die sortering is uw werklijst.
- Tel op wat effectief werd toegekend aan de bedrijfsleider tijdens dat tijdperk: bezoldiging in geld plus voordelen tegen hun fiscale waarde. Toegekend, niet louter geboekt als intentie.
- Vergelijk met 51.000 euro. Het tekort is wat vóór de afsluiting nog toegekend moet worden.
- Bereken de verhouding van de voordelen afzonderlijk. Forfaitair gewaardeerde voordelen tegenover de totale bezoldiging van alle bedrijfsleiders in het tijdperk. Markeer alles wat de 20 % nadert, ook waar de toets op 51.000 euro ruim slaagt.
- Toets de terugvalregel vóór de opleg. Blijft het geraamde belastbaar inkomen onder de reeds toegekende bezoldiging, dan blijft het verlaagd tarief overeind zonder één euro extra loon. Stel dat eerst vast.
- Prijs de opleg vóór u ze belooft. Een verhoging met 6.000 euro sleept ongeveer 20,50 % aan sociale bijdragen mee, plus de beheerskosten van het sociaal verzekeringsfonds. De regularisatie valt pas in 2028, dus het jaar waarin het geld de vennootschap verlaat en het jaar waarin de bijdrage definitief wordt afgerekend zijn niet hetzelfde jaar. Zeg dat expliciet; dat is het stuk dat cliënten pas laat ontdekken.
- Vergelijk beide kosten, schriftelijk. Kost van de opleg, bijdragen en personenbelasting tegenover de kost van het volledige resultaat aan het gewone tarief. Voor sommige dossiers is het verlaagd tarief het kopen niet waard, en die conclusie hoort in het dossier.
Het profiel dat vroeger slaagde en nu zakt
De managementvennootschap met een groot voordelenpakket en een kleine bezoldiging in geld. Ze haalde de oude vaste 45.000 euro door de voordelen tegen hun forfaitaire waarde mee te tellen, en niets in de oude toets vroeg welk aandeel die voordelen in het pakket vertegenwoordigden.
Ze kan nu twee keer zakken: één keer op het bedrag, want 51.000 ligt 6.000 euro boven het cijfer waarrond het pakket gebouwd is, en één keer op de verhouding, want een bedrijfswagen, gratis woonst en gratis verwarming tegen forfaitaire waarde kunnen het forfaitaire aandeel boven 20 % van alles wat aan de bedrijfsleiders wordt toegekend duwen. De twee toetsen staan los van elkaar, dus de eerste oplossen lost de tweede niet op — en een opleg in geld verbetert de verhouding, terwijl een opleg in voordelen ze verslechtert.
Eén open punt
De Raad van State signaleerde in zijn advies bij het wetsontwerp een onopgelost gelijkheidsbezwaar: de sanctie van 20 % geldt alleen voor kleine vennootschappen. Dat bezwaar werd in de aangenomen tekst niet opgelost, zodat een correctie of een administratieve circulaire mogelijk blijft.
Behandel het als een open punt, niet als vaststaand recht. Het verandert niets aan wat u dit najaar doet — de voorwaarde geldt vanaf aanslagjaar 2027 en het bedrag is 51.000 euro — maar het is een reden om een cliënt niet vast te zetten in een meerjarige bezoldigingsstructuur waarvan de verhouding van de voordelen de enige rechtvaardiging is.
Weten waar het boekjaar staat voordat het afsluit, is de enige manier om een bijkomende bezoldiging op tijd te prijzen.
Bekijk hoe het werkt